Bierbegrippen
Bij elk bier in onze shop staan een paar cijfers en sterren: IBU, EBC, een schenktemperatuur en zes smaakassen. Hier lees je wat die betekenen, zodat je in één oogopslag ziet of een bier bij je past.

Het smaakprofiel: zes assen
Op elke productpagina staat een smaakprofiel met zes eigenschappen, elk met een score van één tot vijf sterren. Die waarden komen van de brouwer zelf, van het specblad dat hij bij ons aanlevert. Het is dus zijn inschatting van zijn eigen bier, geen labmeting — en dat is precies waarom ze zo bruikbaar zijn. Niemand kent dat bier beter. Staat een waarde niet ingevuld, dan tonen we hem niet; liever geen getal dan een gegokt getal.
Bitterheid
Hoe sterk je de bitterheid van de hop proeft. Eén ster is nauwelijks merkbaar, zacht en rond. Drie is merkbaar bitter zonder dat het droogtrekt. Vijf is stevig bitter en blijft lang hangen, zoals bij een imperial IPA of een zware stout. Bitterheid is niet hetzelfde als de IBU-waarde hieronder: veel restzoet kan een hoge IBU zachter laten aanvoelen dan het getal doet vermoeden.
Zoetigheid
Hoeveel moutzoet er overblijft na de vergisting. Eén ster is droog, soms kurkdroog. Drie betekent dat de mout duidelijk naar voren komt: karamel, brood, honing. Vijf is uitgesproken zoet en bijna stroperig, wat je tegenkomt bij mede, quadrupels en imperial stouts.
Zuurheid
De frisse, aanzurende kant. Eén ster is geen zuur van betekenis. Drie is een fris zuurtje dat dorstlessend werkt. Vijf is uitgesproken zuur, het domein van sours, gueuze en Berliner Weisse. Zuur in bier is een bewuste keuze van de brouwer, geen fout.
Fruitigheid
Hoe sterk je fruit terugvindt in geur en smaak. Eén ster is niet fruitig; dat bier leunt op mout en hop. Drie is duidelijk fruitig, vaak citrus, steenfruit of tropisch fruit. Vijf betekent dat het bier ruikt en smaakt alsof je een glas fruit voor je hebt, zoals bij een NEIPA of een fruited sour.
Belangrijk: fruitig wil niet zeggen dat er fruit in zit. Moderne hopsoorten geven van zichzelf mango, passievrucht of grapefruit af, en gist maakt tijdens de vergisting aroma’s die naar banaan, peer of appel neigen. Zit er wél echt fruit in, dan staat dat in de producttekst.
Smaakduur
Hoe lang de smaak blijft hangen nadat je geslikt hebt — de afdronk. Eén ster is kort en snel weg, wat je juist wilt bij een dorstlesser op een warme dag. Vijf betekent dat je het bier nog minutenlang proeft. Een lange afdronk is niet automatisch beter; het hangt af van wat je zoekt.
Intensiteit
Hoe vol en krachtig het totaalbeeld is. Eén ster is licht en toegankelijk, een bier dat je zonder nadenken drinkt. Vijf is vol en complex, een bier dat je langzaam drinkt en waar je bij gaat zitten. Deze as zegt iets over het geheel, niet over één smaak.
De kenmerken bij elk bier
IBU
International Bitterness Units, de gemeten hoeveelheid bitterstoffen. De schaal loopt in de praktijk van ongeveer vijf tot boven de honderd. Een blond zit meestal tussen de vijftien en vijfentwintig, een IPA tussen de veertig en zeventig, en boven de tachtig kom je in het gebied van imperial IPA’s en stevige stouts. Het getal meet wat erin zit, niet wat je proeft: zie de opmerking bij bitterheid hierboven.
EBC
European Brewery Convention, de kleurschaal. Hoe hoger, hoe donkerder. Rond de vier tot acht is strogeel tot bleek blond, twintig tot dertig geeft amber en koper, en boven de zestig zit je in donkerbruin tot zwart. Kleur zegt vooral iets over de gebruikte mout: hoe langer geroosterd, hoe donkerder, en hoe meer koffie- en chocoladetonen je kunt verwachten.
Alcoholpercentage
Het volumepercentage alcohol. Session-bieren zitten rond de vier procent, de meeste speciaalbieren tussen de vijf en acht, en quadrupels, barleywines en imperial stouts gaan richting de tien tot twaalf. Meer alcohol betekent meestal ook meer body en een langere houdbaarheid.
Schenktemperatuur
De temperatuur waarop de brouwer zijn bier het liefst geschonken ziet. Te koud maakt een bier vlak, omdat aroma’s zich pas boven een graad of zes losmaken. Lichte, frisse bieren komen rond de vijf tot zeven graden goed uit, blond en witbier rond de zeven, tripels en amberbieren rond de acht tot tien, en zware donkere bieren pas rond de tien tot twaalf. Een bier uit de koelkast laat je dus gerust even staan.
Food pairing
Waar het bier goed bij smaakt. Een suggestie, geen voorschrift. De gedachte erachter is simpel: laat het bier de smaak van het gerecht óf aanvullen óf doorbreken. Een romige stout naast chocolade versterkt elkaar; een bitter, koolzuurrijk bier snijdt juist door vet heen.
Bierstijlen die je bij ons tegenkomt
Blond — Licht van kleur, doordrinkbaar, meestal zes tot zeven procent. Het startpunt voor wie speciaalbier ontdekt.
Tripel — Belgisch van oorsprong, goudblond en stevig, zeven tot negen procent. Vaak kruidig door de gist, met een droge afdronk ondanks het alcoholgehalte.
Dubbel en quadrupel — Donkerder en zoeter dan een tripel, met karamel, gedroogd fruit en soms rozijn. Een quadrupel gaat richting de tien procent en wint met de jaren aan diepte.
IPA — India Pale Ale, hopgedreven en meestal duidelijk bitter. Binnen de familie kom je NEIPA tegen (troebel, zacht, uitgesproken fruitig, weinig scherpe bitterheid), DIPA of double IPA (zwaarder en hoppiger) en session IPA (dezelfde smaak, lager alcoholgehalte).
Stout — Zwart, met geroosterde mout die koffie, cacao en soms drop geeft. Een imperial stout is de zware variant, vanaf een procent of negen.
Witbier en weizen — Gebrouwen met tarwe. Witbier is Belgisch, vaak met koriander en sinaasappelschil; weizen is Duits en dankt zijn banaan- en kruidnageltonen aan de gist.
Barleywine, rye wine en mede — De zwaarste categorie. Barleywine is een gerstwijn met veel body en zoet, rye wine hetzelfde maar met rogge, en mede is honingwijn: strikt genomen geen bier, wel thuis in dit rijtje.
En verder — Saison (droog, kruidig, van oorsprong een boerderijbier), amber en scotch ale (moutig en karamelachtig), schwarzbier (zwart maar verrassend licht), winterbock (donker en zoet voor de koude maanden) en grape ale (bier met druiven).
Wat je verder op het etiket ziet staan
Binnen een stijl zetten brouwers vaak nog een woord op het etiket dat iets zegt over de aanpak. Achter elke term staat waar je die bieren vindt.
West Coast IPA — De klassieke Amerikaanse IPA: helder, droog en uitgesproken bitter, met hars en grapefruit. Het tegenovergestelde van een hazy. Te vinden bij IPA.
Black IPA — Ook wel Cascadian Dark Ale. Zwart van geroosterde mout, maar met het hoparoma en de bitterheid van een IPA. Ruikt naar citrus, smaakt naar koffie en hop tegelijk. Te vinden bij IPA.
Brut IPA — Kurkdroog en licht van body, met veel prik en nauwelijks restzoet, zoals een brut champagne. Fris hoparoma zonder zware afdronk. Te vinden bij IPA.
DDH — Double dry hopped: er is na het koken twee keer koud gehopt. Meer aroma, niet meer bitterheid. Kom je vooral tegen bij IPA.
Session — Dezelfde stijl, maar lichter in alcohol, meestal onder de vijf procent. Bedoeld om er meer dan een van te drinken. Kom je vooral tegen bij IPA.
Pastry stout — Een stout waarin nagerecht is meegebrouwen: vanille, kokos, koffie, chocolade of bosvruchten. Zoet, vol en meestal stevig van alcohol. Te vinden bij Stout.
Russian imperial stout — De zwaarste stout, vanouds boven de acht procent. Dik, donker en intens, met drop, chocolade en gedroogd fruit. Te vinden bij Stout.
Barrel aged — Het bier lag op een houten vat, vaak van whisky, port of rum. Dat geeft vanille, hout en een deel van de smaak van de vorige inhoud mee. Kom je tegen bij Stout en bij Dubbel & Quadrupel.
Alcoholvrij en alcoholarm — Alcoholvrij is in Nederland tot 0,5 procent, alcoholarm tot 1,2 procent. Bij speciaalbier gaat het meestal om een lichte versie van een bestaande stijl, niet om een ander recept. Onder meer bij Tripel en IPA.
Brouwen, bewaren en schenken
Mout — Gekiemde en gedroogde gerst. Levert de suikers waar de gist alcohol van maakt, en bepaalt kleur en zoetheid. Hoe donkerder geroosterd, hoe meer koffie en chocolade.
Hop — Geeft bitterheid, aroma en houdbaarheid. Vroeg in de kook toegevoegd geeft vooral bitterheid, laat toegevoegd vooral aroma.
Gist — Zet suiker om in alcohol en koolzuur, en levert onderweg een groot deel van de smaak. Het verschil tussen een Belgische tripel en een Duitse weizen zit voor een flink deel in de gist.
Dry hopping — Hop toevoegen ná de kook, tijdens of na de vergisting. Levert veel aroma zonder extra bitterheid. De reden dat een NEIPA naar mango kan ruiken en toch zacht smaakt.
Hergisting op fles — Er gaat wat gist en suiker mee de fles in, waardoor het bier daar verder rijpt. Zulke bieren worden vaak beter met de jaren en laten een laagje gist op de bodem achter.
Bezinksel — Dat laagje op de bodem is gist, geen vuil. Schenk je het mee, dan wordt het bier troebeler en voller van smaak. Laat je het in de fles, dan blijft het helder. Allebei goed; het is smaak.
Houdbaarheid — De datum op het etiket is een tenminste-houdbaar-tot, geen vervaldatum. Lichte en hoppige bieren drink je het liefst vers, want hoparoma verdwijnt als eerste. Zware donkere bieren en flesgerijpte tripels kunnen jaren mee en worden vaak beter. Bewaar staand, donker en koel.
Glaswerk — Een tulpvormig glas houdt aroma vast, een breed glas laat het ontsnappen. Bij elk bier in onze shop staat het glas dat de brouwer zelf aanraadt.